Menu
Macro-economie
26.10.2021
Arne Maes Senior Economist

Wat drukt rentevoeten: babyboomers of ongelijkheid?

De rentes zijn laag, maar blijft dat ook de komende jaren zo? Waarom ze de voorbije decennia daalden kan ons helpen de toekomst in te schatten. De demografische evolutie speelde een belangrijke rol: een steeds groter deel van de bevolking kwam op arbeidsleeftijd en spaarde een pensioen bij elkaar. Die toevloed aan spaargelden woog op de rentes. Wanneer deze groep straks uitzwaait keert dat effect terug om en zouden ook de rentevoeten weer kunnen opveren. Recent Amerikaans onderzoek ziet inkomensongelijkheid echter als een belangrijkere drijfveer dan de demografische trend. Als dat klopt zou het spaargeld nog een tijd kunnen toenemen én de rentes langer laag helpen houden.

De rentevoeten zijn laag en dat is al een tijdje zo. Om te weten wanneer daar verandering in kan komen, moeten we begrijpen waarom ze daalden tussen pakweg 1980 en 2010. Eén belangrijke reden lijkt demografisch. Het aandeel werkende mensen binnen de bevolking nam immers sterk toe in diezelfde periode. Dat wil zeggen dat een grotere groep mensen zich bevond in die levensfase waarin er geld opzij wordt gezet voor de oude dag. Gevolg: méér spaargeld. Dat geld vindt zijn weg naar de financiële markten en weegt op de rentevoeten.

Dat fenomeen zal echter eerst vertragen en nadien omkeren, wanneer deze groep babyboomers massaal op pensioen vertrekt. Op dat moment worden immers de spaargelden aangewend voor consumptie. De volgende cohorten (gen-x, millenials), compenseren dit vermoedelijk slechts gedeeltelijk. Zij sparen met andere woorden trager dan dat de generatie voor hen ontspaart. Als de demografische verklaring klopt, zorgt minder spaargeld ervoor dat de rentevoeten binnen afzienbare tijd automatisch omhooggestuwd worden.

Maar is de demografische trend wel zo belangrijk?

R* en waarom ze daalde

Rachel en Smith (Bank of England) publiceerden in 2015 een werkdocument met als titel “The Secular Drivers of the Global Real Interest rates”. Daarin werd de daling van de reële rentevoeten sinds 1980 onderzocht.

De onderstaande grafiek toont hoe het aanbod aan spaargeld (de blauwe curve) naar rechts schoof gedurende de desbetreffende periode. De vraag naar spaargeld, bestaande uit interessante investeringsprojecten, bleef nagenoeg constant.

211026 - a

Een stijgend aanbod bij gelijkblijvende vraag zorgt in het klassieke economische raamwerk voor een daling van de prijs. In dit geval: een daling van de rentevoet die aanbieders van spaargeld ontvangen.

De onderzoekers gingen echter verder. Zij identificeerden 6 factoren verantwoordelijk voor deze daling én hoeveel elk van de factoren bijdroeg aan de effectieve daling van de rentevoeten.

Met stip op nummer één: de demografische evolutie. Deze zou de wereldwijde reële rentevoeten sinds 1980 met bijna 1 %punt gedrukt hebben. Rachel en Smith zien ook een rol voor toenemende inkomensongelijkheid. Meer geld in handen van dat deel van de bevolking dat minder uitgeeft en meer spaart zorgde ook voor een stijging van het aanbod aan spaargeld. Impact op de rentevoeten: 45 basispunten volgens de Engelse economen.

Rachel en Smith gaan er logischerwijze van uit dat de demografische impact grotendeels zal omkeren de komende twee decennia. De ongelijkheid daarentegen zien ze ongeveer gelijk blijven. Alles bij elkaar zouden de rentevoeten dus opnieuw moeten stijgen wanneer de babyboomers op pensioen vertrekken.

Ongelijk, niet oud

Onderzoekers van de universiteiten van Princeton, Havard en Chicago trekken het belang van deze dynamiek nu in twijfel. Volgens hen is de inkomensongelijkheid veel bepalender voor het spaargedrag (en bij gevolg de rentevoeten) dan de demografische evolutie.

Mian, Straub en Sufi maken hiervoor gebruik van inkomensgegevens over Amerikaanse gezinnen tussen 1950 en 2019. Onderstaande grafieken vatten hun onderzoek treffend samen.

211026 - b

Ze tonen hoe de spaarquote, dat deel van inkomen dat wordt gespaard, verschilt per inkomens- en leeftijdscategorie. De spaarquote voor het hoogste inkomensdeciel ligt bijna 20%punt hoger dan deze voor de laagste vijf decielen. Dat verschil is een stuk groter dan de leeftijdsvariatie die we zien in de tweede grafiek. In de groep 65-74-jarigen ligt de spaarquote maximaal 11%punt boven die van de leeftijdsgroepen tussen 18 en 64 jaar.

Het lijkt duidelijk: inkomensdecielen verklaren spaarneigingen beter dan leeftijdsgroepen. Tenminste, dat is het geval voor Amerikaanse data.

Spaargedrag in België

Uit onze eigen cijfers blijkt echter dat die realiteit er voor België wel eens heel anders zou kunnen uitzien.  Onderstaande grafieken tonen het gespaarde bedrag, als deel van het inkomen* voor onze eigen klanten gedurende de periode 2008-2018.


211026 - c2

Op het linker paneel is te zien hoe zowat alle Belgen een flink deel van hun inkomen sparen. Waar ze zich in de inkomensverdeling bevinden heeft daarbij schijnbaar weinig belang. Het rechter paneel toont een heel ander beeld. De groep 45-54-jarigen zetten een stuk méér van hun inkomen op zij dan de 18-34-jarigen. De verhoudingen zijn gelijkaardig aan wat Mian, Straub en Sufi tonen. De spaarneiging piekt in ons land bij 55-64’jarigen, maar ook nadien houdt de Belg een slag om de arm.

Conclusie: bij ons speelt leeftijd wel degelijk een belangrijkere rol dan inkomensdecielen.

Wat brengt de toekomst?

Dat inkomensongelijkheid in België een minder goeie verklaring geeft aan spaarverschillen hoeft niet te verbazen. De inkomensongelijkheid ligt bij ons namelijk erg laag. Deze wordt gemeten aan de hand van de zogeheten Gini-coëfficiënt, een getal dat ligt tussen 0 en 1. Daarbij geeft het nulpunt de perfecte gelijkheid aan en verdient in het andere extreme (“1”) één iemand al het inkomen in een land. De Gini-coëfficiënt voor nettolonen lag volgens de Wereldbank in 2018 op 0.27 in ons land**. Dat is een stuk lager dan de VS waar de coëfficiënt op 0.41 lag.

Hoe het aantal mensen op arbeidsleeftijd de komende jaren zal evolueren lijkt vrij duidelijk. Behoudens bruuske stijgingen in de pensioensleeftijd*** zullen er eerst in ontwikkelde en later ook in ontwikkelingslanden een kleiner deel van de totale bevolking aan het werk zijn.  

Het verloop van de ongelijkheid is minder duidelijk. Alles bij elkaar zou deze tijdens de pandemie zijn toegenomen. Een politieke tegenreactie, met toegenomen focus op herverdeling behoort dan ook tot de mogelijkheden de komende jaren.  Tot het zover is, zou het sparen wel eens op het zelfde hoge peil kunnen blijven, met onderdrukte (reële) rentevoeten tot gevolg.

* Belangrijke disclaimer: Het nauwkeurig identificeren van inkomen en andere inkomende geldstromen is geen sinecure. 

** Ons land voert een sterk beleid rond inkomensongelijkheid. Het belastings- en ondersteuningsbeleid zorgt ervoor dat de netto-inkomensongelijkheid slechts de helft bedraagt van de ongelijkheid op basis van (ongecorrigeerde) bruto marktlonen.

*** Of in het reproductiecijfer natuurlijk. Maar of de lockdowns inderdaad voor een nieuwe babyboom zorgden lijkt op dit moment hoogst onzeker.

De opinies in deze blog zijn die van de auteurs en geven niet noodzakelijk het standpunt van BNP Paribas Fortis weer.
Arne Maes Senior Economist
Arne is de interne expert in de Belgische economie. Daarnaast is hij belast met de opbouw en instandhouding van de voorspellingsmodellen van de afdeling en ontwikkelt hij nieuwe onderzoeksideeën. Lees meer

Over het onderwerp

Geen resultaat