Timing en vertrouwen
De inflatie in de Verenigde Staten vertraagde in mei. We mogen ervan uitgaan dat de Fed-leden over die gegevens beschikten. Toch besloten ze aan te kondigen dat we dit jaar minder renteverlagingen mogen verwachten. Het ziet er nu naar uit dat er in 2024 slechts één renteverlaging zal komen. Hoe komt dat? Staat de inflatie niet langer centraal in de besluitvorming? Wellicht niet, want stijgende prijstrends blijven een grote bekommernis, zeker in verkiezingstijd. Twee zaken kunnen die schijnbare tegenstelling tussen een lagere inflatie en minder uitgesproken prognoses van renteverlagingen verklaren. En dat zijn timing en vertrouwen. Wat de timing betreft, zijn de herziene renteverlagingsverwachtingen ongetwijfeld een late reactie op de slechte inflatiecijfers voor het eerste kwartaal van 2024. We herinneren ons allemaal nog de verbijstering die in de markten toesloeg na de cijfers van maart. Die wakkerden de vrees aan dat de inflatie in de VS opnieuw zou versnellen. Het vertrouwen, of liever het gebrek eraan, verklaart waarom de Fed zijn voornemen niet bevestigde om de rente voor het einde van het jaar meermaals te verlagen, ondanks de relatief gunstige inflatiecijfers in april en mei. Door de inflatievrees van het eerste kwartaal zijn de zaken inderdaad nog eens op een rijtje gezet. Na drie opeenvolgende inflatiestijgingen verschoven de besluitvormers van de Fed de start van de renteverlagingen noodgedwongen naar een latere datum.

Zekerheid over dalende inflatie
De Fed wil eerst een aantal gunstige inflatiecijfers zien om er dan pas op te kunnen vertrouwen dat de inflatie bestendig naar zijn 2%-doelstelling evolueert. Dat betekent dat, zelfs als de inflatie de komende maanden zwak blijft, het window voor renteverlagingen dit jaar veel beperkter is dan in maart. Beleidsmakers moesten daarom rekening houden met het idee dat het aantal renteverlagingen tussen nu en het einde van het jaar lager zou uitvallen. Inflatiecijfers, en dus niet het beleid, blijven dus de belangrijkste drijfveer voor de rentebeslissingen van de Fed. Niets zegt dat de inflatie de komende maanden niet weer gaat stijgen. De Amerikaanse economie doet het immers zeer goed en beleggers zijn onzeker over de relatieve waarderingen (obligaties/aandelen). Daardoor staan ze vandaag huiverig tegenover obligatiebeleggingen. De opwaartse trend in de langetermijnrente sinds het begin van het jaar is een perfecte illustratie van die terughoudendheid.
Dus als we die twee factoren – timing en vertrouwen – in overweging nemen, is er geen sprake van een tegenstrijdigheid tussen de lagere inflatie in mei en de voorzichtige houding van de Fed. De kans is zelfs bijzonder groot dat de situatie zo blijft tot het einde van Fed-voorzitter Powells termijn in 2026.
Grote risico’s
Toch wegen er grote risico’s op die vooruitzichten. Het welvaartseffect van de stijging van de activaprijzen zou kunnen leiden tot een aanhoudende stijging van de vraag, want de Amerikaanse aandelenmarkt doet het momenteel bijzonder goed. De arbeidsmarkt is krap en de loonstijgingen blijven nog behoorlijk. We kunnen ons dus afvragen wat de volgende stap voor de Amerikaanse inflatie zal zijn.
De Fed is vastbesloten om zijn inflatiedoelstelling van 2% te realiseren. Voor de valutamarkten betekent dat dat elke versnelling van de Amerikaanse inflatie de dollar hoger duwt, terwijl een tragere inflatie de Amerikaanse munt verzwakt. Het is echter de vraag of dat de komende dagen de dominante drijfveer zal blijven op de valutamarkten. Vooral omdat de ongerustheid over de uitkomst van de Franse parlementsverkiezingen de euro zou kunnen ondermijnen. Maar voorlopig blijft de gematigdere Amerikaanse inflatie in mei en de gevolgen daarvan voor het Amerikaanse beleid het belangrijkste onderwerp aan de andere kant van de oceaan en op de financiële markten.