Het zal via een draaideur zijn dat ECB-voorzitter Draghi zijn post verlaat. Na het afwerken van zijn laatste rentebepalende vergadering staat aan de andere zijde opvolgster Christine Lagarde paraat om de enorme uitdagingen frontaal te confronteren. Als afscheidsgeschenk krijgt zij een verlaging van de depositorente van -0,4% naar -0,5% en een batterij van bijkomende maatregelen die de economie een zuurstofstoot moeten geven. Wat een verschil tegenover een jaar voordien.
Donald Trumps kruisvaart tegen het Amerikaanse handelstekort en de onzekere uitkomst van de Brexit versmachten de Europese economie. Daarenboven is ook de bodem onder de langetermijninflatieverwachtingen die de financiële markten verrekenen, volledig weggeslagen. Verwachten de markten, en burgers, niet langer stijgende prijzen, dan reflecteert zich dat na enige tijd ook in een effectieve vertraging van de inflatie. Een inflatiedoelstelling van 2% is het belangrijkste mandaat van de ECB.
De nieuwe maatregelen zullen niet overal op gejuich onthaald worden. Dat geldt ook voor de verdere verlaging van de depositorente naar -0,5%. De vraag stelt zich in welke mate dit nog zoden aan de dijk brengt. Studies tonen aan dat vanaf een bepaald niveau nog negatievere rentevoeten de economie meer kwaad doen dan goed. Niemand weet echter waar het precieze omslagpunt ligt.
De depositorente is de strafrente die banken op hun cashoverschotten betalen die ze bij de ECB parkeren. Zo port de ECB hen aan om extra leningen te verstrekken. Vorig jaar liep de ‘boete’ voor de Europese banksector op tot 7,5 miljard euro of 15% van de totale Europese bankwinsten. Dat zet de rendabiliteit van de banksector nog meer onder druk, net nu ze getroffen wordt door een perfecte storm van digitalisering en krimpende rentemarges. Want tegenover de steeds lagere rente-inkomsten op leningen staat een bodemrente van 0% – in België 0,11% - voor particuliere deposito’s waaronder ze vandaag niet willen zakken.
Voor de strafrente bestaat een oplossing. Mogelijk voert de ECB een gelaagd interestsysteem in, waarbij banken slechts op een deel van hun geld bij de ECB die strafrente betalen. Maar daarmee is het probleem van de rentemarge niet van de baan. Een verdere daling van die marge riskeert op een bepaald moment de kredietverstrekking te beperken in plaats van te doen toenemen. Dat zou noodlottig zijn voor de Europese economie: 70% van de kredietverstrekking naar bedrijven loopt via de banken. Voor huishoudens is dat zelfs 80%.
Voor de banksector is de verlaging van de rente geen cadeau. Belangrijker nog is de reactie van gezinnen en bedrijven. Gaan zij meer uitgeven en investeren? Haalt de verlaging van de depositorente de rente op leningen verder onderuit, dan zou dit moeten leiden tot meer kredietverstrekking. Anderzijds betekent een lagere rente nog minder rente-inkomsten. Sparen particulieren met een bepaald doelbedrag voor de pensionering, dan zullen ze maandelijks meer opzij moeten zetten om dat doel te bereiken.
En wat met de bedrijven? Een recente ECB-studie stelde vast dat de negatieve beleidsrente van de voorbije jaren zich niet heeft vertaald in goedkopere leningen. Een nog meer negatieve rente zal daar weinig aan veranderen. Anderzijds, wanneer banken die negatieve rente doorrekenen aan bedrijven met veel cash op hun balans, dan zullen die sneller geneigd zijn dat geld toch te investeren. Hopelijk lijdt de kwaliteit van de investeringen hier niet onder.
Dat geldt trouwens maar zolang de ondernemingen de actie van de ECB niet als wanhoopsdaad interpreteren. Is dat wel het geval, omdat de boodschap niet goed werd overgebracht of het pakket aan maatregelen buiten proportie is in verhouding tot de economische toestand, dan investeren ze niet. Dat heeft onmiddellijk ook een averechts effect op de inflatieverwachtingen. In een recente studie van de Federal Reserve van San Francisco lezen we dat “toen de Bank of Japan haar plannen onthulde om negatieve rentevoeten in te voeren, de inflatieverwachtingen daalden en hun neerwaartse trend nadien verder zetten.” Super Mario zal al zijn communicatieve talenten moeten aanwenden om de markten te overtuigen.
De vertraging van de groei en de lage inflatie noopt de ECB opnieuw de rente te verlagen. Maar dat lijkt steeds meer op een sprong in het duister. Niemand weet vanaf welk niveau een meer negatieve rente de economie meer schaadt dan baat. Slechts wanneer het effect op de economie zichtbaar wordt, zullen we weten of het omslagpunt werd overschreden.
Het betekent ook dat dat Europese politici zich dringend moeten bezinnen over een alternatieve reddingsboei voor het monetair beleid. Zo zouden politieke overheden die het zich kunnen permitteren best wat meer (lenen om te) investeren in de toekomstige welvaart van hun eigen burgers. Zo niet riskeert het doembeeld van een langdurige ondermaatse groei in combinatie met extreem lage rentevoeten en inflatie, kijk richting Japan, realiteit te worden.