Macro-economie
10.03.2017
Koen De Leus Chief Economist

Wetgeving aanpassen aan nieuwe digitale realiteit

‘De wetgeving moet zich aanpassen aan het digitale tijdperk,’ stelt Alexander de Croo. Het wordt tijd dat die opmerking bij collegae gevolg krijgt, dat nog veel meer politici en overheden serieus gaan rekening houden met de spectaculair veranderende tijden. We beleven de digitale revolutie. Nu, op dit eigenste moment. Burgers en ondernemingen krijgen het amper bijgebeend. Maar vooral het wetgevend kader hinkt, op vele vlakken, serieus achterop.

Onze minister van Digitale Agenda deed de uitspraak nadat het hof van Beroep inging tegen de filosofie van de digital act. Die vorig jaar ingevoerde wet zorgt ervoor dat digitale documenten op gelijke voet worden behandeld als hun papieren tegenhangers. Niettegenstaande oordeelde het hof tegen het oordeel van een lagere rechtbank in dat een via email overeengekomen verkoopovereenkomst geen geldig bewijs van akkoord was.

Niet alleen in België loopt de wetgeving achter de feiten aan. De digitale revolutie heeft tot gevolg dat wat vroeger nationaal geregeld werd, nu best Europees, of nog beter, mondiaal moet aangepakt worden. Grensoverschrijdende zaken zoals de sociale rechten en plichten van nieuwe ondernemingsvormen, zou de Europese Commissie best naar zich toetrekken.

Concurrentievoordeel

Die nieuwe vennootschapsvormen zijn een voorbeeld bij uitstek. Onduidelijkheid en frustratie is daar troef. Traditionele ondernemingen schreeuwen moord en brand omwille van oneerlijke concurrentie vanwege de platformbedrijven. Laat het duidelijk zijn: de oplossing ligt niet in het verbieden van bedrijven zoals Airbnb en Uber. De komst van deze bedrijven heeft verstarde, overgereguleerde en overdreven beschermde sectoren wakker geschud. De consument heeft daar voordeel bij. En bij Uber bijvoorbeeld biedt het kansen aan jongeren die in de officiële arbeidsmarkt niet aan de bak komen. Een kwart van de Franse Uber-chauffeurs was werkloos alvorens ze voor Uber gingen werken.

Op sommige vlakken hebben de bedreigde gevestigde bedrijven wel een punt. Om bij Uber te blijven: normaal moet elke taxichauffeur een BTW-tarief van 6% aanrekenen op een rit. Voor de Uber-chauffeurs geldt dat niet wanneer ze opteren voor het regime van kleine onderneming. De omzet op jaarbasis moet dan wel kleiner zijn dan 25.000 euro. Voor het gros van de Uber-chauffeurs is dit echter een parttime job. Die flexibiliteit maakt de job net aantrekkelijk. Ze komen dan ook niet aan dit bedrag wat hen een kostenvoordeel oplevert in vergelijking met de traditionele taxibedrijven.

Handelsplatform

Tevens stelt zich de vraag bij de platformbedrijven of het handelsplatformen zijn, een beetje zoals Euronext, waarbij ze niets meer doet dan chauffeurs met klanten samenbrengen? Of verstrekt het transportdiensten, net zoals taxidiensten of de Belgische NMBS dat doen? Het antwoord dat de 15 rechters van het Europese Hof van Justitie daarover deze maand moeten vellen, zal bepalend zijn voor het lot van deze ondernemingen en de fiscale behandeling ervan.

Indien het als een handelsplatform wordt bestempeld, dan kan Uber ongestoord zijn huidig model voortzetten. Het geeft Uber een sterkere positie in de verschillende landen waar het onder vuur ligt. Wordt het geklasseerd als transportdienst, dan moet het striktere regels volgen inzake licenties en veiligheid. Dat opent onmiddellijk opnieuw het debat of de Uber-chauffeurs als zelfstandigen mogen worden beschouwd dan wel als werknemers. Idealiter worden al die aanpassingen op Europese schaal aangepakt. Zo creëer je een ‘level playing field’.

Europa

Europe moet het voortouw nemen om de oude sociale modellen aan te passen aan de nieuwe digitale realiteit. Dit geldt trouwens ook voor de betaalde belastingen op de steeds meer globaal behaalde winsten. Miljarden aan belastinggeld gaan elk jaar verloren door belastingontwijking in landen die via ‘rulings’ en andere belastingvoordelen bedrijven lokken. Als Apple in Ierland in 2014 maar effectief 0,005% belasting betaalde op zijn Europese winst, dan moet een halt toegeroepen worden aan die schadelijke fiscale gunstregimes waarbij elk Europees land het andere vliegen tracht af te vangen.

De door de Europese Commissie voorgestelde Common Consolidated Corporate Tax Base (CCCTB), eenzelfde belastbare basis voor de vennootschapsbelasting, is daar een gepast antwoord op. Het is ook de enige manier om de grote (technologische) multinationals, in een digitale wereld zonder grenzen, een eerlijke belasting te laten betalen.

De discussies laaien hoog op. In tal van landen bestaat de vrees dat de digitale economie met zijn toenemend aantal zelfstandige werknemers leidt tot oneerlijke concurrentie en daardoor de belastingbasis uitholt. Ook voor de betrokken bedrijven zelf is het belangrijk dat er duidelijkheid komt over hun statuut. Zij willen er niet van worden beschuldigd dat ze zich onttrekken aan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid,  met alle gevolgen van dien. Als de huidige regels niet garant staan voor eerlijke concurrentie, een rechtvaardige behandeling van werknemers en een houdbaar belastingsysteem met een eerlijke fiscaliteit, dan moeten ze aangepast worden.

De opinies in deze blog zijn die van de auteurs en geven niet noodzakelijk het standpunt van BNP Paribas Fortis weer.
auteurs
Koen De Leus Chief Economist
Koen De Leus (Bonheiden, 1969) behaalde zijn masterdiploma Handelswetenschappen aan de Economische Hogeschool Sint-Aloysius (EHSAL).Sinds september 2016 is hij Chief Economist bij BNP Paribas Fortis. Hij is ook gastdocent in ‘Behavioural Finance’ aan de EHSAL Management School. Koen publiceerde in 2017 zijn boek ‘De Winnaarseconomie: uitdagingen en kansen van de digitale revolutie’. In 2012 publiceerde Koen ‘De Gouden Beursleuzen’. In 2006 schreef hij ‘Naar Grijsland’ samen met Paul Huybrechts, over de sociale en economische uitdaging van de vergrijzing.